|
Wat is dikke darmkanker?
Dikke darmkanker is een van de meest voorkomende vormen van kanker in
Nederland. Jaarlijks wordt dikke darmkanker bij ongeveer 8600 mensen
vastgesteld. De aandoening komt ongeveer even vaak voor bij mannen als bij
vrouwen. De meeste patiënten zijn ouder dan 60 jaar wanneer de ziekte bij
hen wordt aangetoond. Oorzaken
Een deel van de oorzaken is bekend: slechte eetgewoonten, overgewicht,
darmpoliepen, darmkanker in het verleden, chronische ontstekingen van de
dikke darm en bepaalde erfelijke factoren.
Daarnaast zijn er twee soorten dikke darmkanker waarbij sprake is van
erfelijkheid:
-
hereditair non-polyposis colorectaal carcinoom (HNPCC) of Lynch syndroom en
het familiaire adenomateuze polyposis (FAP).
-
Momenteel wordt onderzoek gedaan naar het eten van fruit en groente, vezels
en verzadigd vet en hun invloed op het ontstaan van dikke darmkanker en
endeldarmkanker.
Erfelijke dikke darmkanker
Bij ongeveer 5% bij de patiënten met dikke darmkanker is er sprake van een
erfelijke aanleg. Bij erfelijke aanleg heeft iemand door een afwijking aan
zijn erfelijkheidsmateriaal (de genen) een sterk verhoogd risico op dikke
darmkanker.
Er zijn enkele criteria die op erfelijke dikke darmkanker kunnen wijzen:
-
Dikke darmkanker wordt op jongere leeftijd geconstateerd, dat wil zeggen:
rond de 45 jaar. Gewone dikke darmkanker treft meestal mensen die 60 jaar of
ouder zijn.
-
De tumor ontstaat in het opstijgende deel van de darm. Gewone dikke
darmkanker ontstaat meestal in de laatste delen, het sigmoïd en de
endeldarm.
-
U heeft familieleden waarbij ook dikke darmkanker is ontstaan.
-
Erfelijke aanleg betekent niet dat iemand zeker dikke darmkanker zal
krijgen. Het betekent wel dat iemand een verhoogde kans heeft meegekregen
van een van de ouders. Om dit uit te leggen is eerst wat uitleg over
erfelijkheid nodig.
Erfelijkheid
Het lichaam is opgebouwd uit miljarden cellen. In elke celkern zit erfelijk
materiaal: de 46 chromosomen oftewel de 23 chromosomenparen. Elk
chromosomenpaar bij een mens bestaat uit één chromosoom van de moeder en het
andere chromosoom erft men van de vader. De chromosomen zijn onder andere
opgebouwd uit DNA. DNA bestaat uit een lange dubbele spiraalvormige keten
van bouwstenen. Die bouwstenen zijn de genen. Een gen bevat de code voor een
bepaalde erfelijke eigenschap en geeft zo een opdracht aan een lichaamscel.
Zo zijn er genen die zorgen voor kleur van de ogen of die ervoor zorgen dat
de celdeling stopt.
| Om verouderde of beschadigde cellen te vervangen, maakt het lichaam
voortdurend nieuwe cellen aan. Dit gebeurt door celdeling: uit één cel
ontstaan twee nieuwe, die zich ook weer delen enzovoort. Normaal gesproken
controleert het lichaam dit proces heel goed dankzij de genen in de
DNA-keten. Soms gaat er wat mis tijdens de celdeling of door invloeden van
buitenaf. Het lichaam kan de celdeling niet meer zelf corrigeren. Een gen
verandert dan en geeft op haar beurt bij celdeling veranderde codes door.
Door veranderingen (genmutaties) in het DNA van de genen kan ook een
erfelijke ziekte of tumor ontstaan zoals borstkanker. Een tumor of gezwel is
dus het resultaat van overmatig celdeling waarbij de genen in de cel andere
eigenschappen hebben gekregen. Zo'n tumor kan goed- of kwaadaardig zijn;
alleen bij kwaadaardige tumoren is er sprake van kanker. Bij erfelijke
borstkanker is er een fout in de eicel of zaadcel waaruit deze persoon is
ontstaan. Na de bevruchting vindt er celdeling plaats. Dit betekent dat deze
fout in alle lichaamscellen aanwezig is en niet alleen in de tumor.
Als een van de ouders een genafwijking (genmutatie) heeft (geërfd), kan die
aanleg aan een kind worden doorgegeven. Iemand kan dus bij de geboorte al
aanleg hebben voor een bepaalde ziekte. Deze persoon is dan drager. Krijgt
dit kind later ook weer kinderen dan kan het veranderde gen naar een
volgende generatie worden doorgegeven. Als men drager is van een erfelijke
aanleg voor bijvoorbeeld borstkanker, wil dit niet zeggen dat de ziekte zich
ook daadwerkelijk zal ontwikkelen. Aanleg betekent wel dat er een verhoogd
risico is om de ziekte te ontwikkelen. |
 |
Op de website van de STOET leest u meer over erfelijkheid en dikke
darmkanker. Stadium
Om aan te geven hoe ver de ziekte zich heeft ontwikkeld en eventueel
uitgebreid, wordt een indeling in stadia gebruikt. Het stadium is nodig om
de juiste behandeling te kiezen.
Dit heet stadiëring of uitgebreidheid van de ziekte. Dikke darmkanker kan
ingedeeld worden naargelang het stadium van de ziekte. Het stadium wordt
bepaald aan de hand van:
Als een darmtumor gaat groeien, breidt de tumor zich uit in de buikholte en
het uitgebreide lymfesysteem rondom de darmen. Bij het groeien kunnen cellen
losraken en zich via het lymfevocht en of via het bloed uitzaaien in het
lichaam. Er kunnen dan uitzaaiingen ontstaan in de lymfeklieren, de
buikholte en later ook in de longen, lever of de botten. Als een darmtumor
in de buikholte groeit, ontstaat er vocht in de buik (ascites). De buik gaat
pijn doen en opzwellen.
Het stadium van dikke darm- of endeldarmkanker kan ingedeeld worden volgens
de Dukes-indeling:
-
Dukes A: de tumor zit enkel nog in het slijmvlies en de binnenste laag
spierweefsel van de dikke darm.
-
Dukes B1: de tumor is doorgegroeid in de buitenste spierwand van de dikke
darm.
-
Dukes B2: de tumor is doorgegroeid door alle spierwandlagen tot in het
omringende vetweefsel.
-
Dukes C1: kankercellen van de tumor zijn uitgezaaid in de lymfeklieren in de
buurt van de tumor in de dikke darm.
-
Dukes C2: er zijn uitzaaiingen gevonden in lymfeklieren op grotere afstand
van de tumor in de dikke darm.
-
Dukes D: er zijn uitzaaiingen in ander
organen zoals de lever of de longen en/of de tumor is doorgegroeid in
aangrenzende organen.
Behandeling van dikke darmkanker
Voor een dikke darmkanker die niet is uitgezaaid, is vrijwel altijd een
operatie aangewezen. Een aanzienlijk deel van de patiënten heeft zogenaamde
‘micro-uitzaaiingen’, dit zijn uitzaaiingen die zo klein zijn dat ze niet te
zien zijn. Wanneer er aanwijzingen zijn dat er een hoog risico is op
dergelijke micro-uitzaaiingen, zal vaak na de operatie chemotherapie
geadviseerd worden, om de kans op genezing te vergroten.
Wanneer bij een dikke darmkanker uitzaaiingen worden vastgesteld, is dat
meestal in de lever. Sommige van deze patiënten kunnen toch nog genezen door
een combinatie van een operatie aan de dikke darm, later een operatie aan de
lever, en meestal ook chemotherapie. Wanneer er geen kans op genezing meer
is maar de darmkanker klachten geeft, wordt toch vaak nog een darmoperatie
uitgevoerd. Met chemotherapie kan de ziekte een tijd onder controle gehouden
worden.
|