|
Stamcelonderzoek richt zich op
embryo's van hoogstens enkele dagen oud. Deze embryo's bestaan uit
stamcellen die als eigenschap hebben uit te kunnen groeien tot ieder ander
type cel. Stamcellen zouden dus kunnen worden gebruikt voor het vervangen
van menselijk weefsel. Dergelijk onderzoek draagt mogelijk bij aan
oplossingen voor ziekten als parkinson en alzheimer. Binnen het Zesde
Kaderprogramma voor onderzoek, dat loopt van 2000 tot en met 2006, steunt de
Europese Unie stamcelonderzoek.
Onderzoek waarbij menselijke embryo's worden gebruikt wordt door velen
gezien als moreel verwerpelijk. Binnen negen lidstaten van de Europese Unie
is stamcelonderzoek verboden. Deze landen maken dus ook geen aanspraak op
het beschikbare Europese geld hiervoor.
Op 24 juli 2006 stemde de Raad van Ministers i, na een veranderd standpunt
van Duitsland, met een onverwacht nipte meerderheid voor het voortzetten van
de steun aan stamcelonderzoek in het Zevende Kaderprogramma i (2007-2013).
Het Europees Parlement i heeft dit programma in november 2006 goedgekeurd.
Nederland is al langere tijd voorstander van dit type onderzoek en stemde
voor. Er werd nog een kleine aanpassing gedaan in de voorwaarden voor
subsidieverstrekking: het EU-geld (in totaal 250 miljoen euro) mag niet
direct worden gebruikt voor het produceren van menselijke embryo's. In de
praktijk betekent dit dat er vanaf 2007 weinig zal veranderen ten opzichte
van het huidige programma.
EU-wetgeving kent restricties op stamcelonderzoek. Zo verbiedt zij het
klonen van mensen, of onderzoek dat invloed kan hebben op de genetische
erfelijkheid van de mens. Ook mogen menselijke embryo's niet worden
geproduceerd om alleen te worden gebruikt voor onderzoek. In Nederland is
het wel toegestaan om embryo's die overblijven na in vitro fertilisatie te
gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek.
In de VS werd in augustus 2006 een doorbraak behaald in het onttrekken van
stamcellen uit embryo's. Waar het embryo voorheen niet meer levensvatbaar
was na de behandeling, zou het embryo nu in leven kunnen blijven. Het
ethische dillema rondom het vroegtijdig afbreken van leven voor
onderzoeksdoeleinden kan daarmee vervallen. |