![]() |
m e d i s c h r e g i s t e r |
atlas |
|||||||
|
Cystic Fibrosis (CF) of Mucoviscoidosis, taaislijmziekte |
|||||||||
|
|
Wat is Cystic Fibrosis?
|
||||||||
|
Bij cystic fibrosis wordt er
taai slijm, dat ook meer zout bevat, gemaakt. Hierdoor kan het slijm zich
ophopen. Dit leidt tot ontstekingen in de longen en tot ophopingen in de
afvoergangen van de alvleesklier en lever. Het gevolg is dat onder andere de
volgende symptomen ontstaan: zoutsmakende transpiratie, terugkerende
luchtweginfecties, groeiachterstand, vette ontlasting, verstopping van de
darmen en diabetes mellitus. Mannen met CF zijn meestal onvruchtbaar door
het ontbreken van de zaadleiders. De kenmerken symptomen treden meestal op
tijdens
kinderleeftijd. |
|
Het verloop van Cystic Fibrosis is zeer grillig en voor bijna iedereen anders. Ook de ernst van de klachten en de daarmee samenhangende levensverwachting kan per patiënt belangrijk verschillen. Vooral de longen zorgen bij de meeste patiënten voor ernstige problemen. Cystic fibrosis (CF) is een erfelijke aandoening die in Nederland bij 1 op de 3600 kinderen voorkomt.
|
|
Alle patiënten hebben een progressief verlies van longfunctie ten gevolge van ernstig verlopende infecties en een overmatige ontstekingsreactie in de luchtwegen. Hiernaast treden complicaties op die de prognose van CF-patiënten ernstig kunnen verslechteren: pancreasinsufficiëntie, kolonisatie van de luchtwegen met Pseudomonas aeruginosa, neuspoliepen, levercirrose, diabetes mellitus en allergische bronchopulmonale aspergillose. Door toegenomen behandelmogelijkheden is de prognose voor kinderen met CF afgelopen jaren sterk verbeterd. De levensverwachting anno 2003 is echter nog steeds beperkt tot gemiddeld 32 jaar. CF staat bekend als een klassiek monogenetische, autosomaal recessief overervende aandoening, veroorzaakt door een mutatie in het Cystic Fibrosis Transmembrane Regulator (CFTR) gen op chromosoom 7. |
Wereldwijd zijn ruim 1000 verschillende mutaties beschreven, die allen leiden tot een afwezig of een defect CFTR eiwit. In Nederland heeft 50-60% van de patiënten een homozygote dF508 mutatie. Binnen deze genetisch homogene groep zijn opvallende verschillen in de ernst van het pulmonale ziektebeloop en in het optreden van de niet-pulmonale complicaties. Omgevingsfactoren verklaren deze verschillen in CF-fenotype onvoldoende. Zelfs binnen een gezin worden verschillende fenotypen gezien. In de Europese tweelingen-studie komt het fenotype van monozygote tweelingen veel sterker overeen dan dat van dizygote tweelingen, hetgeen suggereert dat het CF-fenotype wordt beïnvloed door modificerende genetische factoren.
Onderzoek
Recent is een aantal specifieke
voorbeelden van dergelijke 'modifier genes' beschreven. Diverse
polymorfismen van genen die coderen voor onderdelen van de inflammatoire
cascade blijken geassocieerd te zijn met de ernst van het pulmonale
ziektebeloop. Ook het optreden van niet-pulmonale complicaties bij
CF-patiënten lijkt beïnvloed te worden door modifier genes. Zo werd een
locus op chromosoom 19q13.2 beschreven, dat geassocieerd is met het optreden
van meconium ileus. Ook CF-gerelateerde chronische leverziekte is mogelijk
geassocieerd met polymorfismen van levergeassocieerde eiwitten, zoals MBL,
GSTM1 en a1-antitrypsine (a1AT). Voor andere niet-pulmonale complicaties bij
CF zijn op dit moment geen modifier genes bekend. In deze studie gaan we uit
van de hypothese dat CF geen klassiek monogenetische aandoening is maar dat
disease modifier genes het beloop en fenotype van CF bepalen.
Gezien de ernst van de infecties en de overmaat aan ontstekingsreactie
bij patiënten met CF veronderstellen we dat polymorfismen in een aantal kandidaat-genen
gerelateerd aan de innate en adaptive immunity een belangrijke rol spelen in
de heterogeniteit van het ziektebeeld.De studie zal antwoord geven op 3
specifieke vragen:
|
|
|
Uitvoering
De uitvoering vindt
plaats in het CF-Centrum Utrecht. Hier worden 260 van de 600 Nederlandse
kinderen met CF behandeld en wordt circa de helft van alle Nederlandse
longtransplantaties bij patiënten met CF verricht. Het onderzoek van het
CF-Centrum Utrecht is ingebed in de researchgroep Pediatric Immunology and
Infectious Diseases van de Onderzoeksschool Infectie en Immuniteit van de
Universiteit Utrecht. Binnen deze researchgroep bestaat een jarenlange
succesvolle samenwerking tussen de afdelingen kinderlongziekten,
kinderimmunologie, kinderinfectiologie en KNO-heelkunde van het UMC Utrecht.
Het AGIKO-project zal bestaan uit twee fasen. In de diagnostische fase zal
de relatie tussen kandidaat modifier genes en klinische
patiëntenkarakteristieken worden onderzocht. Dit onderdeel betreft een
retrospectief cohort-onderzoek van alle patiënten met een homozygote dF508
mutatie. De te onderzoeken genen zijn SP-A, SP-D, TLR2, TLR4, IL4, IL4R,
IL6, IL8, IL10, IL10R, IL13, IL1ß, TNFa, TNFRI, TNFR2, INFg;, INFgR1,
INFgR2, CC16, CD14, C1-inh, PAI1, TGFß, MBL, NOS2a, FcgRII, FcgRIIA,
FcgRIIIB, BSEP, FIC1, MRP2 en MDR1. Voor een aantal van deze genen is een
relatie tussen polymorfismen en ernst van bacteriële infecties bij kinderen
zonder CF aangetoond. De klinische karakteristieken van alle patiënten in
het CF-centrum Utrecht zijn vanaf 1997 jaarlijks vastgelegd in de database
van de 'jaarlijkse check-up'. Deze check-up bestaat uit: longfunctie,
pancreasfunctie, sputumkweek, leverfunctie, endoscopisch onderzoek van de
neus, screening op diabetes mellitus en ABPA. Het longitudinale beloop van
deze klinische karakteristieken zal worden bestudeerd in relatie tot de
klinische karakteristieken at baseline en tot de expressie van de genoemde
kandidaat modifier genes. Dit deel van het onderzoek zal worden verricht
tijdens de eerste twee jaren van de AGIKO periode. In de prognostische fase
zal met behulp van de uitkomsten van de diagnostische fase de prognostische
capaciteit van elk van de klinische en genetische patiëntkenmerken worden
bepaald. Hiermee zal een multivariaat model worden geconstrueerd voor het
voorspellen van de snelheid van longfunctie-verslechtering, het optreden van
pancreasinsufficiëntie, het tijdstip van kolonisatie met Ps. aeruginosa, het
optreden van chronische leverziekte, van neuspoliepen, van diabetes en van
ABPA. Tijdens de laatste 6 jaar van de AGIKO periode zal dit prognostische
model worden getoetst in een prospectieve cohortstudie. Hier zullen alle
patiënten van het CF-Centrum Utrecht in worden betrokken. Tevens zal de
prospectief de capaciteit van het model worden bepaald voor het voorspellen
van mortaliteit.